Gepost op

Het Rechte Spoor – 2019 | Maandag 26 augustus

Achan antwoordde Jozua: Het is waar, ík heb tegen de HEERE, de God van Israël, gezondigd, en ik heb zo en zo gedaan. Want ik zag onder de buit een mooie kostbare Babylonische mantel, tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf met een gewicht van vijftig sikkel. Ik begeerde ze en nam ze mee.
Jozua 7 vers 20 en 21

In de Australische stad Melbourne werd ingebroken. Aan de hand van de beelden van een beveiligingscamera werd duidelijk dat de jongeman ongeveer vijf uur binnen bleef. Hij kookte een maaltijd, poetste zijn tanden en deed een computerspelletje. Hij ging in bad, trok kleren van de bewoner aan en vertrok met gestolen elektronica. Al met al had hij heel wat DNA-sporen achtergelaten. Vroeg of laat zou hij tegen de lamp lopen.

Achan was ook een dief. De hebzucht kwam op in zijn hart en hij nam dingen weg. Hij beleed het voor Jozua, maar het was te laat. Er was voor hem geen genade meer. Hij werd gestenigd.

Wie nú zijn zonden voor God belijdt, ontvangt vergeving. Wie dat weigert en wacht tot hij voor Gods troon komt te staan en niet anders kan dan zijn schuld te erkennen, is te laat! Dan is er alleen nog maar het oordeel. Daarom, stel het niet uit!

 

Het dagboek bestellen?