Zondag 7 juni
U hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duistere oorden, in diepten. Uw grimmigheid leunt op mij, U hebt mij neergedrukt door al Uw golven.
Psalm 88 vers 7 en 8
Horen we hier niet profetisch de stem van de Heere Jezus Christus klinken? Hij is de Zoon van God, van eeuwigheid af. Hij was in het grootste geluk en nam de hoogste plaats bij de Vader in. Maar Hij was bereid op aarde geboren te worden. Hij werd Mens. Het loon van de zonde is de dood. Gods heiligheid eist die straf. Omdat de mens Hem had onteerd, moest een Mens sterven. Daartoe kwam Christus uit de hemel. Zijn Menswording was noodzakelijk om het offer voor de zonde te kunnen brengen.
Het is onbegrijpelijk, maar op Golgotha legde God Zijn eigen Zoon “in de onderste kuil”. Hij leed daar drie uren lang in een inktzwarte duisternis. Zijn lijden was onpeilbaar diep. Gods grimmigheid – dat wil zeggen: Zijn heilige toorn over onze zonden – kwam neer op het hoofd van Zijn geliefde Zoon. De golven van het oordeel spoelden over Hem heen.
De Heere Jezus liet dat allemaal gebeuren, zonder een woord van tegenspraak of innerlijk verzet. Zwijgend leed Hij, uit liefde tot God en ons!