Gepost op

Het Rechte Spoor – 2018 | Dinsdag 31 juli

Toen Hij hem [= Manasse] benauwde, trachtte hij het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen; hij vernederde zich diep voor het aangezicht van de God van zijn vaderen, en bad tot Hem.
2 Kronieken 33 vers 12 en 13

Manasse regeerde 55 jaar als koning in Jeruzalem. Hij had een vrome vader, maar zelf was hij goddeloos. Hij was actief in afgoderij en occultisme. Zijn schuld werd steeds groter.

God waarschuwde hem. Hij luisterde niet. Daarop stuurde God vijanden naar Jeruzalem. Die namen Manasse als banneling mee naar Babel. Daar kwam hij tot bezinning. Hij zag in dat hij zondig had geleefd, en boog zich voor God neer. Hij besefte: het was zijn eigen schuld dat hij zo diep in de problemen zat. Hij smeekte God om erbarmen. Wat deed God? Hij heeft nog nooit een bidder in de kou laten staan! God schonk hem genade. Manasse mocht zelfs terugkeren naar Jeruzalem.

Hieruit valt te leren: het geloof erf je niet van je ouders. Ieder moet zélf tot bekering komen.

Verder: een zondig leven heeft gevolgen. Vaak al op aarde, maar zeker in de toekomst.

Ten slotte: ook de allergrootste zondaar ontvangt genade als hij zich bekeert en voor God knielt.

 

Het dagboek bestellen?