Zondag 10 mei
Mijn bekenden hebt U ver van mij verwijderd, U hebt mij tot iets gruwelijks voor hen gemaakt; ik ben opgesloten en kan er niet uit komen.
Psalm 88 vers 9
Wat is het voor de Heiland geweest dat zelfs Zijn eigen moeder en halfbroers op een gegeven moment beweerden dat Hij het verstand had verloren? Ze hadden Hem toch zien opgroeien? Ze moeten toch Zijn volmaaktheid hebben opgemerkt? Ze konden er toch niet aan twijfelen dat Hij niet een ‘gewoon mens’ zoals alle anderen was?
In de hof Gethsémané lieten Zijn discipelen Hem in de steek. Ze dachten meer aan zichzelf dan aan hun Meester.
Op Golgotha stonden de bekenden van de Heere Jezus op een grote afstand. Hij was omringd door vijanden, door mensen die genoten van Zijn leed. Die Hem liefhadden, stonden ver bij Hem vandaan. Hij heeft dat als een enorme beklemming ervaren, voelde het als opsluiting en buitensluiting. Hij werd alleen gelaten door hen die Hem liefhadden.
Wat voor Hem echter nog vele malen erger was: in de uren van duisternis werd Hij door God verlaten Die Hij zo liefhad!