Donderdag 11 juni
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven. Ik ben het Brood des levens.
Johannes 6 vers 47 en 48
Vers, knapperig brood van de bakker is niet alleen erg lekker, maar ook nodig om te leven. We zeggen niet voor niets ‘broodnodig’. Maar je krijgt toch steeds weer trek.
Er bestaat ook levend Brood. Als je daarvan eet, krijg je nooit meer honger. Dat Brood haal je niet bij de bakker; die heeft het niet te koop. Tweeduizend jaar geleden was de Heere Jezus op aarde. In het noorden van Israël, aan de oever van de Zee van Tiberias (nu: het Meer van Kinneret), stelde Hij Zichzelf voor als dat Brood des levens.
Hij is de Zoon van God. Vol liefde en erbarmen is Hij naar de aarde gekomen om ons het eeuwige leven te kunnen geven. Daartoe moest Hij Zelf in de dood gaan. Hij is echter opgestaan uit het graf en na veertig dagen door God opgenomen in de hemel. Hij geeft nu aan alle mensen die in Hem geloven, het eeuwige leven van God. Is dat niet geweldig nieuws? We zijn dan uit God geboren, we zijn Zijn kinderen. De Heere Jezus noemt ons Zijn broeders – en we zullen dan ook eeuwig in Gods huis wonen.